is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben) als compositie wat erg los in elkaar en zwak van verloop, geeft intusschen in dien Japi een prachtige type; prachtig vooral hierom: dat die onverschillige hond ons volstrekt niet antipathiek is, integendeel! Hetgeeh zeggen wil, dat de schrijver zijn sujet begreep en liefkreeg, of ik moet het misschien omdraaien: begrijpen leerde, omdat hij van hem hield, en op die wijze een zoo warm begrip ook op zijn lezers vermocht over te brengen.

„Is u niet die heer uit Amsterdam die altijd maar aan den waterkant zit", vroeg op de boot van Rotterdam naar Veere de schilder Bavink (zélf óók wel een heel goed type) aan Japi, die moest lachen en zei: „Ik zit nog wel eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk, 's Nachts Hg ik op mijn bed, iklieb een uur noodig om me aan te kleeden en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch, en om zes uur moet ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op".

„Is u Amsterdammer?" vroek Bavink. „Ja, Goddank", zei Japi. „Ik ook", zei Bavink. „U schildert niet?" Het was een rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat toch voor een kerel wezen? „Nee, Goddank", zei Japi, „en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank heelemaal niks".

„Dat kon Bavink wel bekoren."

En ons er bij. Want Japi, temidden van deze al maar druk en gewichtig doende wereld, temidden van al die menschen, die geen oogenblik rust hebben en al maar najagen, zij weten zelf eigenlijk niet wat, — Japi is een levensgenieter, nog veel primitiever dan Pallieter, een genieter van het leven opzichzelf, een die aan het feit van het leven volkomen genoeg heeftom gelukkig te zijn.