is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was, vooreerst, Hélène Swarth. Zij was ongetwijfeld een dichteres; doch naast Kloos' groote sonnetten gezien, week haar kunst onmiddellijk naar een tweede of derde plan terug.

Na haar kwam er een aantal kleine verzenmaaksters: Marie Boddaert, I/ucie Broedelet, Marie Jungius,

Betsy Juta Wie weet nog iets van ze, dan een

laatste tipje van haar roemloozen naam?

Er was ook eens een „beeldschoone" dichteres, van wie alweer geen enkel gedicht, maar wel de herinnering aan veel dwaze ijdelheid en dichteresse-pose overbleef. Eéns verscheen zij ten tooneele, „Mensch" tusschen haar dienstmeisje en de Keizerin van China; sindsdien verliet zij het, „Ziel", tusschen haar goede kameraden, Jezus Christus en dr. Rudolf Steiner.

Enkele zeer goede gedichten echter werden geschreven door Henriette Labberton—Drabbe; Giza Ritschl, het Hongaarsche natuurkind, schreef er, onder veel mislukts, een stuk of wat van ontroerende echtheid; en een meer ernstig figuurtje ook bleek, van den aanvang af, Annie Salomons.

Werkelijk van beteekenis was alleen de dichteres, die ik verder wensch te laten buiten dit verband, de dichteres, laatstelijk, van ,jVerzonken Grenzen". Zij alleen evenaarde of overtrof, zoo niet direct in haar kunst dan toch als figuur, de beste dichters van haar tijd.

Naast déze blijft dus de oogst, over bijna veertig jaren litteratuur, aan vrouwelijke poëeten uiterst mager, En wie wijst mij, onder de jongste dichters, de maagdenrei van heden aan?

En daar sta ik dus op mijn wachttoren Zuster-

Anna-met-haar-zakdoek beweert, bij hoog en bij laag, dat zij ze gezien heeft, de twee dichteresjes: de Wachter haalt de schouders op. Ook hier, boven op mijn toren, legt, dertig jaren van feminisme ten spijt, de