is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat er nu verder ook nog de taal is, waarmee men dichten moet, gelijk men teekent met een crayon of schildert met een penseel, — daarvan bevroedt Miek Jansen al zeer weinig. Haar zuivere ziel acht het waarschijnlijk al een heele concessie, zich van woorden te bedienen. En nu dicht zij bijv. aldus, — met dit bladzijdje opent de bundel:

De Toren in storm.

„Boven golvenden heuvlenboog,

breed over boomen-scharen doorklieft de luchten, schaduw-hoog de toren.

Stormen garen hun steunen, zuchten, al hun kracht dreunend tegen de muren,

de maan om hem een laaiïng dacht van helsch gloeiende vuren.

. .En storm heemlen van aarde scheidt,

wolken gees'len de sterren;

lucht-langs de torenschaduw spreidt glimlach van 't peilloos verre.."

In dit stukje zijn de regels 4 (2e ged.) 5 en 6 een uitzondering van redelijkheid en van iets als beeldende kracht. Maar overigens: „doorklieft de luchten"" (veel te fel en te ijl voor een toren, die tot in de hoogte schaduw heeft; want dit althans drukt het ver-vanfraaie „schaduw-hoog" nog wel uit); „de maan om

hem een laaiing dacht (dacht, meende de maan

„zich" een laaiing van helsche vuren; of overlegde de maan bij zichzelven, of „helsch-gloeiende vuren" haar toren ook goed zouden staan ?); „wolken geesten de sterren" (zou er één beeld bedenkbaar zijn, dat minder bij „geeselen" hoort, dan juist wel „wolken" ?).. Dit alles dus lijkt mij niet dan abacadabra, evenals de