is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een brief aan Sabbe: „De Bruggelingen zijn, ge kent ze beter dan ik, ongeloovig en onverschillig zooals al degenen, die lijden aan verval van krachten. Brugge is het Venetië, de Bruggelingen zijn de lazzaronen van het Noorden. Zij hebben te weinig om te leven en te veel om te sterven, zij sukkelen voort in eene zachte sluimering en zijn... tevreden. E pur se muove! Toch zal de haven, toch zal het kanaal er komen, als gij wilt zooals ik wil.' l) En Sabbe heeft gewild zooals De Maere wilde. Hij richtte met zijn Willems-fonds en den Reizigerskring, waar Alf. Van Acker, Edw. Sorel, A. Storie e. a. hem steeds getrouw en volhardend hielpen, den eersten oproep tot de Brugsche bevolking. Volksvergaderingen werden gehouden, het Bestendig Comiteit BruggeZeehaven werd ingericht, het blad La Belgique Maritime werd uitgegeven, de openbare besturen werden genoodzaakt zich met het vraagstuk te bemoeien en onderhandelingen van allen aard werden met stad, staat en provincie aangebonden. Er werd gewerkt en gewroet, er kwamen oogenblikken van hoop en van neerslachtigheid, er werden aanhangers gevonden, doch men botste ook vaak op onwil en tegenkanting, het was een strijd, dien men in zijn bijzonderheden niet volgen kan zonder er in hooge mate door geboeid te worden. En midden in dien strijd, steeds naast De Maere, stond de rustelooze Sabbe, de werkzaamste en de geestdriftigste. Zijn vertrouwen lag in De Maere zooals dat van De Maere in hem lag. Toen er in 1882 moeilijkheden opgerezen waren tusschen De Maere en de Staatscommissie, belast met het onderzoek van zijn ontwerp, vreesde Sabbe, dat zijn bondgenoot wellicht eenige ontmoediging zou gevoelen en schreef hem om hem op te beuren. Teekenend èn voor Sabbe èn voor De Maere is het volgend fragment uit het antwoord van dezen laatste: „Uwe hartelijke taal en de verkleefdheid aan onze zaak, die daarin zoo helder doorstraalt, hebben mij zeer getroffen;

') Brief van 1 April 1878.