is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TORENWACHTERS.

Ze zijn, in ernst, de hoogst geplaatsten van de stad, ^

Al werkt hun lappersstieltje ook maar voor Brugge s voeten. Ons dwaas gekibbel, hier beneên, bekreunt hen wat!

Ze mogen uit de hoogte ons, zelfgenoegzaam, groeten!

Verbeeldt u hoe, van daar, zij ons aanschouwen moeten!

Hetzij ze Brugge zien in goud- of zilverbad,

In zonnegloor of nevelwaas, maar steeds in zoeten,

Gerusten sluimer! — Schoon! — Maar, och, wat raakt hun dat?

Bij grootschen sterrennacht, als woeste winden loeien,

En varen om, en rond, en dóór den torenschacht,

En heel 't verleden rijst, gelijk een wilde jacht,

Als hun, uit brons en steen, als schimmen tegengloeien,

Daarin gekluisterd, tot een nieuwe tijd zal bloeien! Wat droom!... Maar hebben zij er ooit wel aan gedacht?

1 Juni 1894.