is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GASTHUISNON.

Ongeloovig toerist, in het kerkje verdoold Van het gasthuis S' Jans, bij snel wassende duister,

Zag ik niets meer in 't ruim, dan van nacht overvoold; Op de kleurramen slechts nog wat zwijmenden luister.

En de priester toog heen, die in 't goud was gestoold, Van 't zwaar orgelgebrom nauw een gallem nog ruischt er,

Alle psalmen stierf uit, 't zij bezield of geschoold, Van een vorm, nog een vonk; van geluid, wat gefluister.

Doch een non bleef nog daar, in het stervende licht, Als extatisch den blik naar den hoogen gericht, Of verwachtte van daar zij der engelen krone;

En ze prevelde zacht, d'armen open, en wijd;

Breed gekoofd, wit gefloersd onder 't donker habijt... En ik knielde verrukt, in 't geloof aan het schoone!

8 Oogst 1903.