is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat wij geen Drie-en-negentig toch schrijven

In onz' geschiednis zoo aanbeên,

En dat, voor 't geen waarom we ons zeden achten

Wij daar nog 't gekste zijn van al,

Te ruw, te bot om niet al ons gedachten

Vrij uit te spuwen, zeem of gal,

Wat Talleyrand daar ook op zegde, en mede

(Hier ligt de Gordiaansche knoop),

Dat wij zijn paapschgezind, en om die reden

Maar tieren met den wolvenhoop.

'k Begrijp u, ja, gij zijt de vaderlanders,

Omdat uw mond het Fransch vermoordt,

Omdat gij u verwijft en niets doet anders

Dan 't geen ge in 't Zuiden ziet of hoort,

Omdat gij 't zoet vindt ketenen te dragen

En u te wentelen in 't slijk,

En smeekende den naam van Volk gaat vragen Geknield voor Christus — Frankenrijk! —

IV.

Wat jammer toch, mijnheeren, dat uw pleiten

Zoo zoutloos is, zoo nauw beperkt;

Dat 't windje 't kaartkasteel omver zou smijten

Waarin ge uw laatste schaamt versterkt. Gij meent met 't woord canaille ons te verpletten,

En denkt niet in uw eng gemoed,

Dat het, wel verre van ons 't minst te ontzetten,

Ons hert van fierheid trillen doet!

Het Volk is, ja, ons eenige betrachten,

Het Volk, die bron van deugd en vlijt,

't Volk dat verkwijnt, terwijl ge op 't bal uw nachten Te midden dwaze rokken slijt!