is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kom nu weer naar beneên, maak uw voetjes bloot, Om gerust door die perels te treden.

Ze kralen zoo frisch op uw rozige huid,

Waar g' in mossen van goud zet uw schreden.

En de varens, zoo hoog als uw slanke gestalt,

Ze wuiven met streelende pluimen,

Waar het licht tusschen 't groen met de schaduw speelt, Of 't geen strookjen ook wilde verzuimen.

En het geitenblad, om de stammen gerankt,

Spert zijn bloemenbekken wijd open,

Die hun adem van geur door uw adem doen gaan,

Als z' in warmeren glans mogen doopen.

Nu het licht heeft gedroogd reeds het heidekruid,

Vlei u neer in zijn purperen bloeien.

Daar ligt ge zoo graag, waar de dag u komt Met getemperde gloren omvloeien.

En het tintelt en trilt tusschen tak en twijg Van veelkleurige sparkende spranken,

Als een siddering loopt door het ruischende loof: Dat zijn elven, die u komen danken.

Dat zijn d' elven des lichts, en ze danken in u De vorstin, die ze hier komt begroeten.

En ze hebben het weefsel van droomen bereid.

Dat ze op 't kruidbed vóór u hangen moeten.

't Is nu hier 't Paradijs, waar als Eva gij woont, Moederknop van 't beginnende leven.

Nog geen menschheid bestaat, dan uw Adam alleen, Die uw hart pas van liefde deed beven.

Nu het licht heeft gedroogd reeds het heidekruid,