is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sloeg de noodgalm op het Kart der jonge en oude moeders

die zuchtten : « Hebron is sterk,

ach Sichem ! » Aan de luiden,

arbeidend op het veld,

en de hoeders

der kudden was strenge last gegeven om de reizigers zoo mogelijk weg te houden van dit verraderlijk vér dragend luide leven,

en het averechts te duiden zoo ze weten wouden

de oorzaak van dit zomerongewoon geweld.

Nahor, tot de nabuurvolken rijdend,

haalde heimelijk de Koningen op zijn hand,

om saam, voor 't oude Kanann strijdend,

den vreemdeling te jagen, te delgen uit het land.

Nijdige Bethuël, zwart van het vuur der smidsen,

zon op listen en hinderlagen,

stelde wachters aan en gidsen,

leerde rijden en wapens dragen ;

en telken rit gegroeid, fel tegen zijn gebrek,

greep vaster het forsche muildier bij den nek.

Serug echter, stadig bij de smeders doende,

glansend, gloeiend, hield het aambeeld warm,

zwaaide t nieuwe wapen, het zware, hoog in zekeren arm

klopte zijn lijfsvriend op den schouder, hard onzachte,

en met zijn keel vol staalklank, lachte

of hij een deerne zoende.

Onder den rookwalm viel het ademen zwaar.

Tot in haar kameren

hoorde Tamar 't bonzen van de hameren,