is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een scherm voor 't gloeiend aangezicht.

Dus aangedaan, schreed Tamar door de bleekende hutten.

Jahwe dank, geen mensch te ontwaren ;

geen geluiden van ontwakenden ;

geen herder bij de waterputten.

Van haar vaders woonsten had vrees

haar ver gevoerd, toen over een klaren

blakenden

berg, de dagbron rees.

Nu voelde zij de zon : een zendeling des Heeren !

en knielend bad. Haar moed was groot, haar angste klein.

Als Tamar, recht in hare schandekleêren

opwaarts naar Timna toog,

wist zij haar zinnen rein

en haar Beschermer hoog.

BIJ DE TWEE FONTEINEN

Zoo Juda trok met Hira, na de dagen

des beweenens,

den zomer in 't gelaat

aiover 't land ;

en dacht aan Tamar niet noch hare magen.

Want wonder zijn de wegen des scheidens en vereenens die Jahwe neder laat uit vaste hand.

En Hira sprak : « De dalen strekken vredig.

Maar donker doolt de mensch die op zijn eigen toornt,

en toornt op vriendschap. Mijn oude hart is overdoornd