is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met wrok en wrevel. Hira meineedig

voor Serug, voor Nahor ! Vol schande door mijn schuld, uit uwe schuld geboren.

Op uw beloften heb ik zwaren zweer gezworen,

die nimmer wordt vervuld. »

Juda sprak : « Wanneer mijn zoon de losgelaten paarden

zijner driften

weder vangt en stalt ;

wanneer hij naar mij aarden,

bedenken zal en schiften,

en Zilpa's arm afweren, zoo die zwaarder valt

ten hals, daar hij gewisselijk beter vrouw zal wenschen

boven zijn boel, een gade naar zijn stand ;

wanneer hij hooger stapt en mensch wordt bij de menschen,

dan ligt de weg nog open, hier, in Nahors land.

Want niet aan éene vrouw houdt God den man gebonden.»

Hira echter,

bitter, antwoordde vol verwijt :

« Waren der menschen harten toch immer als hun monden !

Was toch niemand in eigen zaken rechter.

Wilt gij Tamar in Adullam, zoo roep haar, 't is de tijd. »

Maar Juda hoorde schaars en dwaalde in zijn gedachten.

De dag stond hoog, de witte wolken stil.

Het leven

scheen zoo lang, zoo schoon.

Zou hij zijn zoon aan Tamar geven,

ten doode doemen, om Hira's eed en dwaze gril ? Zoo zeide hij : « Wat dwingt? Wij kunnen wachten. » Hira sprak : « Daar is geen weg voor die niet wil. »