is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij stapten met korte schaduwen voor hun voeten

en in hun hand een rijzigen wandelstaf.

Kruinen hoorden zij in flauwe ruisching,

doch hoorn noch hoornvee toeten.

Dieper, bij der wegen kruising,

wierp een pijnwoud zachte lommer af.

Wijde weiden geurden vol klaverdonkere grassen ;

koperen korens lagen, zwaar

van aar,

ten grond gebogen ;

stralenweerspiegelende boomen kaatsten goud in de oogen ;

heuvelen groeiden met hun groeiende gewassen

ter zuivere zon, die schitterde op haar hoogst.

Het was alom een laaie pracht, een zoele weelde :

het sterke jaar, dat even speelde,

voor ernst en oogst.

Nu werd in 't weidsche dal hun gaan een stil gekuier.

En ziet, aan den ingang van de twee Fonteinen

op den weg naar Timna toe, zat eene vrouw

neer in de schaduw met dichten sluier

en parelen snoer ;

haar hals ontbloot ;

de malschronde armen rood

doorgloeid met een kleur van rijke wijnen,

neerschijnend door het doek. Ondanks den statigen bouw

en het goddelijk schoon der lijnen,

die golfden door het licht en schaduwsprenkelen

van hare schouderen langs den schoot

ten spangomvangen enkelen,

hield Juda, kijkende, haar voor een hoer.