is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schoonheid van het landschap, klaar van weelden, miste weerspiegeling in hun dof gemoed.

Te zamen gingen zij vereenzaamd, en verveelden elkander met het matte zwijgen, waarin de voet te luid valt na den voet.

Want zoo de schuld een vromen weg wil wandelen, zoo lijdt zij van haar doen en van haar laten leed. Mag zij, voor al de wereld, hoog en heilig handelen, zij zelve is een getuige die niet licht vergeet.

Niet meer om anderen was Juda thans bekommerd, zag Zilpa niet, zag Sjela niet,

zag slechts zijn eigen ziel, bevlekt en overlommerd, en aan den boomstam de vrouw, gehurkt in haar verdriet. Eerst toen zij bij de schaapscheerders en de herders kwamen en tallenkante blijden groet en welkomwensch uit trouwe borst vernamen,

voelde hij zich weder mensch.

En uit de bokken koos hij, mildgezind, een prachtig

zwaar en zwaarvachtig

fraai gehorend dier, dat Hira met een band

ten nek ombond, en haastig heenbracht om het pand,

het kenlijke, te lossen.

Voorts, met oog en vinger, rondgaand, telde Juda zijne

[kudden,

de geschorene en ongeschorene,

ging keurende de nieuwe wol, de donkere, doorschudden,

zag 't overige vee, de vaarzen, stieren, ossen,

en de jongstgeborene

kalveren naast hun goedige moeders

in het vettig gras.