is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En het geschiedde dat de koningen

vergaderd waren in Nahors tent

en daar beslissen zouden omtrent

den krijg met Hebron en Adullam.

En Tamar, angstig, was uitgegaan om te bidden

in het veld,

tegen het naken van den avond en sloeg haar oogen neer en zag toe, en zie, te midden het wemelen

der stadslieden, ringsom toegesneld,

daar kwamen de kemelen.

Hira, haar ziende, sprong van den zadel af, boog neer en

[vroeg :

u Laat deze vrouw met mij tot Nahor treden. »

En Tamar wees niet af

en opwaarts ging naast Hira, den gevangen bode.

Toen, wijl de kemelen met de mannen verder reden, bracht Bethuël in 't roode schijnsel, dat de zon nog gaf,

hem voor de groote middentent en trotschelijk meldde zijnen vader de vangst der zeven uit Adullam aan.

Maar Hira droeg zijn kruin niet lager, noch ontstelde toen hij de rijen van de kr ij geren door moest gaan, en blikkend in den blank der spiezen, sterken staan te woord. En zie, op zwaar gevlochten matwerk, zaten naast ouden Nahor norsch en forsch,

de koningen Kanaans, zwijgend met strenge gelaten, een kalme kracht in ruwe uitwendigheid gebonden als eikenhout in ruige schors.