is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom liet ik spaden gloeiend slaan tot spiezen,

werd elke korenwagen oorlogswagen ;

daarom zijn de koningen, ten bloedigen tocht beslist,

nog wachtend hier ter stede.

Tamar,

vaak heb ik mij in vrouwen, meest in u vergist. » De dochter zeide : « Telken dage smeekte ik : vrede. Want dringend, onweerstaanbaar klonk de Stem : gij hoort tot Judas huis. Maar sinds het uur waarop ik had vernomen

dat Juda met Hira langs de heuvelen zoude komen naar Timna tot zijn scheerders, bleef mij rust noch duur. Angst dreef tot angst. Ik zeide : zal ik neer tot hem ? Toen, in mijn slaap, sprak Jahwe. »

Tamar nu verhaalde haar bidden in 't woud en haren rozendroom en hoe zij, gesluierd, van den heuvel daalde en bij de twee Fonteinen neerzat, koud van schroom, vol afkeer voor zichzelve. Nahor gromde : « Gruwbaar. Kwam Juda? » Tamar antwoordde : « Hij kwam. » En

[verder zeide

wat loon hij haar beloofde en ook welk pand hij gaf,

zijn zegelring, zijn snoer, en uit zijne hand den staf. Nahor dacht : zoo deed zij, dewijl men haar misleidde, overmits zij weduw was en Sjela huwbaar.

En hij vroeg : « Wist Juda, toen hij u verliet,

wie bij den ingang beidde ? »

— (( Hij wist het niet. »

— « En Hira ? »

— (( Ook Hira niet. »