is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nahor sprak : «Waar bleef het pand? »

Zij zeide :

« De ring is aan mijn hand.

Snoer en staf verborg ik op mijn kamer. »

Daar juichte Nahor : « Ik heb genoeg gehoord.

Sla Jahwes vloek en Serugs hamer

wie twijfelt aan de waarheid van éen woord !

Thans schijne licht! » Zoo stond hij op, en naar het midden

gaande, bracht zelf de vlam in de lamp.

En Nahor zag zijn dochter knielend nog aan het bidden.

Toen liet hij zijne knechten komen uit het kamp,

zijn zonen, de koningen en de zeven

uit Adullam. En hij sprak :

«Mijn edel kind, wat knielt en ligt gij daar?

Kom toch, mijn zegen moet ik u geven.

Want morgen reist gij mee met Hira. »

Toen, voor aller oogen, zegende hij haar

en op haars vaders harte Tamars harte brak.

HET VONNIS

Terwijl nu nederreden naar het oosten de zeven uit Adullam

met Tamar en haar dienstmaagden, gebogen

te kemel zittend en zwijgend, kon Hira zich niet troosten.

Want gestadig, vóór de oogen

zijner ziel,

zag hij Nahors dochter liggen op den grond der tent en hoorde van haar lippen 't woord dat diepe viel :