is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jie man sprak waarheid.

Voor al de wereld was het openbaarheid :

in hare weduwschap had haar een man bekend.

En Hira's geest kon niet begrijpen

lioe de oude vader de gevallene zegende

bij klare lamp, voor aller aangezicht.

Hij echter met hetzelfde ontzag bejegende

de dochter Nahors ;

maar dacht : gewisselijk zal zij sterven ;

dan komt de krijg. En donkere dingen zag hij rijpen.

De lucht aloveral had weinig licht.

Het landschap, de heuvelen beneden,

miste verven.

Want de herfst week voor den winter uit.

Zij reden

drie droeve dagen, en niet een sprak luid.

En het geschiedde, wanneer zij Adullam naderden, dat Kesed aan de stadspoort op den uitkijk stond ; en zie, hij zag hen komen.

Juichend riep hij zijn vrouw en Efer en diens vrouw

en Uz en Hur en Gorner en velen die vergaderden.

De ronde ruime grond

tusschen de tenten zag spoedig grauw

van de graag door leed vermaakte menigt

der boozen, dwazen en geveinsde vromen,

hard van voeten en luid van mond,

die nooit ontbreken waar verbrand wordt of gesteenigd. Kruisend boven de hoofden werden de kreten menigvuldig : « Hira is teruggekeerd.

Tamar is mede. Weduw en schuldig ! Bruid en schuldig !