is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minzaam als de zuivere Kemel zelf, daar scheurde en zwond

van Juda's hart de doodsangst neder.

Ineens rees hij gezond,

ademend weder

in wondersterk behagen,

leefde hoog en hoopte nog te leven vele dagen.

En Juda's lust werd liefde, Tamars zorg werd zegen.

Doch over zijne dochteren en haar mannen sloop de nijd ; maar over Zilpa niet, en over Sjela niet.

Kesed, op den avondstond, trad Juda tegen,

zeggend : « De kudden zijn te talrijk voor de weiden. Gedenk den tijd

dat gij om eigen huis uw vaders huis verliet. »

Juda vroeg: « Zal ik uw schapen uit mijn schapen scheiden,

en runderen uit mijn runderen ? » Kesed sprak :

« Adullam groeit. Ook Efer wenscht een eigen dak. )>

Juda, zich opnieuw verwonderend,

zeide : « Die wensch komt gauw. » Doch wou niet

[wederstaan,

en sprak : ((Wat geef ik u? Wat wenscht gijlieden? » Kesed zeide : « Wil morgen door uw kudden gaan,

daarvan afzonderend

het gespikkeld en gevlekte vee. Het wordt niet veel.

Gun Efer zijn deel en mij mijn deel. >;

Juda sprak : « Het zal geschieden. »

En hij schonk hun het gevlekte vee, en uit den velde

en uit zijn huis wat hij ten overvloed bezat ;

doch stelde

zeven dagen tusschen hen en zijne stad.