is toegevoegd aan uw favorieten.

Meivuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug, op 't oogenblik dat Zandriene, voorafgegaan van de vier meisjes, gevolgd van Graaf en Gravin, als Meikoningin buiten verschijnt, met op het hoofd een hoed of kroon van sneeuwwitte, in de hand een kroon van bloedroode pioenen. Kinderen vullen haar blauwkleurig schort met een overvloed van bloemen, die zij straks, voortmarsjeerend, met de rechterhand uitspreidt.

Boven haar hoofd houden twee meisjes een boog van sneeuwrozen (sneeuwballen) en immergroenloover. De muzikanten spelen; de boeren "kletsen" luid; de anderen schieten de geweren af.

Baas Jan uit "de belle Zwaan" is buiten gekomen, en al een tijd bezig, geholpen door een knecht en een meid, vaten, houten stoelen, banken te schikken.

Met den geheelen stoet jubelt hij Zandriene toe.

De stoet, nu met de muzikanten voorop, geraakt in beweging. Driemaal gaat het rond den in den tusschentijd opgerichten meiboom, en, terwijl nu nog een groote bloemenhoed aan een uitgespannen touw wordt gehangen, weerklinkt het

Koor van 't Meigild.

Daar komt de vurige Meiëblom,

daar komt zij aangegangen,

met een roo'rood rozenhoedjen op en rozige, blozende wangen. Wat vedelden de vogels in 't morgenvroege woud ? Wij hoorden ze dansen en springen... Zij wilden, ja, alle, zoo jong als oud, — zoo jong, ja, als oud —

ter eer van de Meiblom zingen !

Allee! Hoezee!

Als goud amathee !

Zoo fleurig en fijn als geurige, fleurige rozemarijn !

Wij ook willen dansen en springen en zingen !

De