is toegevoegd aan uw favorieten.

Meivuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waaruit blijkt, dat de dichter hier een hoed bedoelde, die op het hoofd gedragen, en niet een, die aan een touw over den weg gehangen werd en eigenlijk een tiaravormige hoed of kroon was, zooals blijkt uit het volksdeuntje:

Sinte Peeter is onze patroon!

Wij zullen hem vieren!

Wij zullen hem vieren!

Sinte Peeter is onzen patroon!

Wij zullen hem maken eene kroon.

Op het geboortedorp van den schrijver was de op te hangen hoed met witte en roode pioenen versierd.

Fijfel. Het met dezen naam in Meivuur bedoelde instrument is geenszins te verwarren met het open of gesloten fluitje, zelfs niet eens met de zijdelingsche of echte fijfel, zooals deze door de Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, VII, blz. 275, beschreven zijn.

In schrijvers geboortestreek beteekende fijfel een instrument, dat hij zelfheeft zien en hooren bespelen in de jaren 1864-1872 door den ouden schaper van Zierebeek onder Schepdaal,en door zekeren Heynen, zoon van een uit het Luxemburgsche derwaarts gekomen herder.

Het bestond uit een aantal, minstens zeven, van boven met een boutje half dichtgestopte rietstalen van ongelijke lengte en dikte, tesamengebonden met lederen bandjes of zelfs met middendoor gesneden wijmen.

Deze fijfel is dus de eigenlijke, van in de vroegste oudheid bekende en door dichters bezongen Pans- of herdersfluit.

Blaasveer of blaze-veer, elders, aldus te Brugge, goebe.

Dit volksinstrument, dat o.a. afgebeeld is in een schilderij van Denijs van Alsloot, nr 4, Koninklijk Muzeum te Brussel, en in een ander van Jan Steen, in het Rudolfineum te Praag (reproductie in het aan Steen gewijde deel van Knackfusz' Künstlermonographien, blz. 76, Leipzig, Velhagen & Klasing, 1897), wordt door de Bo in zijn Westvlaamsch Idioticon beschreven: "(De blaze-vere) bestaat uit een gespannen handboog, aan wiens einde, tusschen het hout en de pees, een koe- of zwijnsblaas geklemd ligt, zoodanig dat, als men met een strekel (strijkboog) op die pees wrijft, er een do(o)f geronk onstaat, gelijkende aan dat van den rommelpot, doch veel sterker en min eentonig."

De