is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keneien16 gezeten, een lang rijkleed viel over hare voeten langs de zijde der hakkenei, tot bij de aarde. Keurslijven van goudlaken drukten haar de borst, en hooge kappen met peerlen versierd, lieten zwierige linten van haar hoofd dalen. De meesten hadden eenen roofvogel op de hand.

Onder al deze edelvrouwen was er eene die door pracht en schoonheid de andere verduisterde. Haar naam was Machteld, en Robrecht noemde haar zijne jongere dochter.

Deze maagd was uitnemend jong, daar zij misschien niet boven de vijftien jaren telde; maar de lange en rijzige gestalte, die zij uit het machtig bloed harer ouders geërfd had, de strengheid harer fijne wezenstrekken, de statigheid harer houding drukten iets koninklijks op hare persoon en eischten dwingend den eerbied der mannen af. Ofschoon de ridders haar alle hoffelijkheid bewezen en wedijverden om haar te behagen, kwam er toch geene vermetele liefde in hunnen boezem op. Zij wisten het: een vorst alleen kon Machteld van Vlaanderen ten huwelijk verhopen.

De jonge maagd hing, liefelijk als een droom, met haar tenger lichaam nevens de zijde harer hakkenei en hief het hoofd statig in de hoogte. Terwijl hare linkerhand den teugel met lossen zwier vasthield, rustte een havik met roode kap en gulden belletjes op hare rechterhand.

Onmiddellijk na deze heerlijke landvrouwe kwamen menigvuldige schild- en hofknapen allen halflijfs in zijde van verschillende kleuren gekleed. De knechten die tot het huis van graaf Gwijde behoorden kon men gemakkelijk uit de anderen kennen, want hunne rechterzijde was gewaterd zwart en hunne linkerzijde goudgeel. Eenigen waren purper en groen, anderen rood en blauw, volgens de wapenkleuren hunner meesters.

Eindelijk volgden de jagers en valkeniers. Voor de eersten liepen een vijftigtal honden aan lederen leibanden; er waren winden, brakken en rekels van alle slag.

Verwonderlijk was de drift dezer ongeduldige dieren; zij trokken zoodanig aan de leibanden, dat de jagers zich achterover daaraan moesten laten hangen.