is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meineedige Edward van Engeland verbrak het verbond, dat wij gemaakt hadden, en verliet ons in den nood. Nu is mijn land verbeurd, — ik ben de geringste onder UE. geworden, en mijne grijze haren mogen de graaflijke kroon niet meer dragen. Gij hebt eenen anderen heer! »

« Nog niet! » riep Wouter van Lovendeghem,« want dan brak ik voor altijd mijnen degen. Ik ken geenen anderen heer dan den edelen Gwijde van Dampierre! »

« Mijnheer van Lovendeghem, uwe trouwe liefde is mij hoogst aangenaam; maar hoor mij tot het einde met koelen bloede. Mijnheer de Valois heeft Vlaanderen door de wapenen gewonnen en van zijnen koninklijken broeder Philippe ten leen gekregen. Indien hij zoo edelmoedig niet ware, zou ik hier in Wijnendaal met UE. niet zijn; want hij zelf is het, die mij uit Rupelmonde in dit aangenaam verblijf geroepen heeft. Nog meer, hij heeft besloten het huis van Vlaanderen weder op te bouwen en mij nogmaals op den graaflijken zetel te plaatsen. Dit is de zaak, waarover ik met UE. te handelen heb, want uwe hulp heb ik noodig. »

De verwondering der heeren, die met aandacht luisterden, vergrootte zich zichtbaar op dit laatste gezegde. Dat Charles de Valois het land, dat hij gewonnen had, wilde wedergeven, kwam hun ongeloofelijk voor. Zij zagen den graaf met verbaasdheid aan. Deze hervatte na eene korte rust:

« Mijne heeren, ik twijfel geenszins aan uwe liefde voor mij ; derhalve spreek ik met de volle hoop, dat gij mij deze laatste bede zult toestaan, en die bestaat hierin: overmorgen vertrek ik naar Frankrijk om den koning te voet te vallen en ik begeer door UE. vergezeld te zijn. »

De heeren antwoordden de een na den ander, dat zij tot de reis bereid waren en hunnen graaf overal vergezellen en bijstaan wilden. Eén was er, die niet sprak, en dit was Diederik die Vos.

« Mijnheer Diederik, » vroeg de graaf, « zult gij met ons niet gaan ? »

« Ja, ja, bij mijne eer! » riep Diederik, * de Vos gaat