is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten in overvloed uit hare oogen en zij begon luidop te schreien.

« Wat is dit, mijne dochter P » sprak Robrecht. « Kunt gij u niet matigen ? Gij moet bedaard en stil zijn bij het bed van een ziek mensch! »

« Bedaard zijn!» snikte het meisje. « Bedaard zijn, als mijnheer Adolf gaat sterven P Hij, die mij zulke schoone liederen leerde ! Wie zal nu de menestreel van Wijnendaal wezen P Wie zal mijne valken helpen africhten en mijn broeder zijn P »

Dan, verdwaald tot bij het bed gaande, bezag zij weenende den gevoelloozen ridder en riep snikkend :

« Adolf! mijnheer Adolf! Mijn goede broeder! »

Geen antwoord krijgende, sloeg zij zich de twee handen voor het aangezicht en zakte in eenen stoel. Robrecht, denkende dat zijne dochter niet zou ophouden met kermen, en dat hare tegenwoordigheid dus meer schadelijk dan nuttig zijn zou, vatte de jonge Machteld bij de hand.

« Kom, mijn kind, » sprak hij, « verlaat deze kamer, totdat uwe droefheid wat gestild zij. »

Machteld wilde het vertrek niet verlaten. Zij antwoordde :

« O, neen, vader, laat mij hier! Ik zal niet meer ween en. Laat mij mijnen broeder Adolf oppassen. Ik zal zulke vurige gebeden, die hij mij zelf geleerd heeft, bij zijne bedstede storten ! »

Dit zeggende, nam zij het kussen van eenen zetel, legde het op den grond bij het hoofdeinde van het bed, en begon in stilte te bidden, terwijl doffe snikken uit hare borst opklommen, en tranen hare oogen ontsnapten.

Robrecht van Bethune bleef tot in den nacht bij het bed van Adolf, hopende, dat hij het gehoor en de spraak zou terugkrijgen ; doch deze hoop werd teleurgesteld. De gewonde ademde flauw en langzaam; er was geene de minste beweging in zijn lichaam merkbaar. Meester Rogaert begon ernstig voor zijn leven te vreezen; want eene lichte koorts openbaarde zich en gloeide reeds op de slapen des lijdenden.