is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Ik begrijp u, Diederik, » prevelde hij hem in 't oor. « Wat gij vreest, voorzie ik ook; maar er is geene uitkomst aan. Vaarwel dan tot betere dagen ! »

« Mijne heeren, » zeide Diederik heengaande,«indien gij eenige tijding voor uwe bloedverwanten naar Vlaanderen te zenden hebt, raad ik u ze spoedig klaar te maken: ik zal uw bode zijn !»

« Wat zegt gij ? » riep Wouter van Lovendeghem. « Zult gij met ons niet ten hove gaan, Diederik P »

«Ja wel, ik zal bij u en nevens u zijn, maar gij noch de Franschen zult mij kennen. Ik heb het gezegd : Philippe zal den Vos niet krijgen. God bescherme u, mijne heeren. »

Hij was reeds ter deure uit, als hij dien laatsten groet hun toestuurde.

De graaf ging met zijnen hofknaap heen, en de anderen verlieten insgelijks de zaal, om zich naar bed te begeven.

Op het gestelde uur kon men in eene wijde zaal van het paleis des konings de Vlaamsche ridders met hunnen ouden graaf zien staan. Hunne wapens hadden zij in de voorkamer moeten afleggen. Blijdschap en genoegen blonken op hun gelaat, alsof zij zich op voorhand over de beloofde genade verheugden. Het aangezicht van Robrecht van Bethune verschilde in uitdrukking van al de anderen : bittere spijt en inwendige razernij waren er op te lezen. De moedige Vlaming kon de trotsche blikken der Fransche heeren niet over het hart krijgen; en, ware het niet uit liefde tot zijnen vader geweest, hij hadde weldra menigeen er rekening over gevraagd. De dwang, die hem door het noodlot was opgelegd, werkte pijnlijk in zijnen boezem, en menigmaal kon een nauwkeurig oog bemerken, dat zijne vuisten zich toewrongen, alsof zij eenige banden wilden breken.

Charles de Valois stond bij den ouden Gwijde en sprak vriendelijk met hem, het oogenblik afwachtende, dat hij op bevel des konings, zijnen broeder, [de Vlamingen voor den troon zou leiden. Eenige abten en prelaten