is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachende. « Wie zal mij vangen? Het zij u gewaarschouwd, dat de gemeente zich met geweld van het Prinsenhof gaat meester maken, en dat het leven van u allen voor het leven van den deken der wevers verpand is. Gij zult straks eene andere kermis zien; de wijs van het liedeken zal sterk veranderen, dit verzeker ik u. »

Intusschentijd waren eenige wachten genaderd en hadden den deken der beenhouwers bij den hals gevat; een andere ontvouwde reeds de koorden, die hem moesten binden. Breidel had, zoolang hij sprekende was, weinig acht op deze bereidsels gegeven; maar zoodra hij zijn gezicht van de Leliaarts getrokken en op de wachters gestuurd had, kwam een doffe zucht als het geloei eens stiers uit zijne borst. Hij blikte met vlammende oogen op degenen, die hem vangen moesten en riep :

« Denkt gij, dat Jan Breidel, dat een vrije beenhouwer van Brugge zich als een kalf binden laat ? Ho! ho! dit zal heden niet zijn! »

Bij deze woorden, die hg met razende gramschap had uitgegalmd, sloeg hij den soldenier, die hem bij zijnen kolder vasthield, zoo geweldig met zijne zware vuist op het hoofd, dat bij wankelend ten gronde zeeg; als een bliksem vloog hij door de verstomde wachten en smeet er een goed getal op den vloer der zaal. Aan de deur gekomen zijnde, draaide hij zich om en schreeuwde hevig tegen de X^eli3.3.rts •

« Gij zult het bezuren, gij snoodaards! Een Maceclier van Brugge binden! O, laster! Wee u, vervloekte dwingelanden... Luistert! de trom der beenhouwers slaat uwen lijktocht... »

Nog langer ware hij in zijne bedreigingen voortgegaan, maar nu kon hij zich niet meer tegen de bijeenloopende wachten verdedigen en liep morrend de trap af.

Men hoorde op dit oogenblik een dof gerucht als een verre donder aan de andere zijde der stad brommen. De Leliaarts verbleekten; de vrees beving hen bij dit dreigend onweder. Zq wilden echter hunnen gevangene niet loslaten en schaarden meer wachten voor het hof, om het tegen