is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehoord had; doch, zich niet kunnende herinneren, waar hij dezen priester mocht gezien hebben, joeg hij die gissing als ongegrond uit zijnen geest.

Na eene korte poos den jongen ridder met doordringende oogen bezien te hebben, vroeg de monnik :

« Mijnheer, het is al een geruimen tijd geleden, dat ik Vlaanderen verlaten heb : het zou mij aangenaam zijn, uit uwen mond te weten, hoe het in Brugge al gaat. Dat mijne stoutheid u niet hoone.»

« O neen, vader, » antwoordde Adolf, die zich van geen bedrog mistrouwde, « het zal mij een geluk zijn, u te verplichten. In onze stad Brugge gaat het slecht: de Franschen zijn er meester 1 »

« Dit schijnt u niet te bevallen, mijnheer! ik had nochtans vernomen, dat de meeste edelen hunnen wettigen graaf verloochend hebben en den vreemden met liefde nebben ontvangen. »

« Eilaas! dit is maar al te waar, vader. De ongelukkige graaf Gwijde is door velen zijner onderdanen verlaten, en nog meer zijn er, die hunnen ouden roem vergeten; maar het Vlaamsch bloed is niet in aller aderen verbasterd ; er zijn nog harten, die den vreemdelingen vijandig zijn. »

Bij deze woorden schetste een innig genoegen zich op de wezenstrekken des monniks. Indien Adolf wat meer menschenkennis gehad had, zou hij bespeurd hebben, dat de spraak van dien reizenden geestelijke gedwongen en gemaakt was, en dat er iets geveinsds op zijn gelaat zweefde. De monnik antwoordde :

« Uwe gevoelens, mijnheer, zijn loffelijk en verdienen mijne achting. Het is mij eene ware vreugd, nog een edelmoedig mensch, in wien alle liefde voor den rampzaligen landheer Gwijde niet vergaan is, aan te treffen. God loone u om uwe getrouwheid. •

« O, vader,» riep Adolf, « zoo het u veroorloofd ware, den grond mijns harten te zien, indien gij de liefde, die ik mijnen meester, den ongelukkigen Gwijde, en zijn huisgezin heb toegewijd, kondet kennen! Ik zweer u, o priester, dat het gelukkigste oogenblik mijns levens dit zijn zou,