is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Ziet, broeders, » riep Breidel, « ik begin de slachterij ! Volgt mij na! »

Gelijk een ploeg, die zich zeiven een spoor in de aarde graaft, zoo baande Breidel zich eenen weg door de Franschen. Elke houw zijner bijl kostte het leven aan eenen vijand, en het bloed zijner slachtoffers stroomde bij beken over zijnen kolder. De andere Vlamingen, zoo woedend als hij, vielen langs alle kanten op de soldeniers; hunne juichende kreten verdoofden de doodskreten der stervende Franschen 7S.

Terwijl er in dier voege op den voorhof en op de wallen van het slot gevochten werd, had de kastelein, mijnheer de St.-Pol, in aller haast eenige peerden doen zadelen. Zoodra men hem boodschapte, dat er geene hoop meer was, en dat de meeste soldeniers onder den voet lagen, deed hij het hulppoortje openen. Dan haalde men eene schreiende vrouw met geweld uit het gebouw, en nadat zij in de armen van eenen soldenier op een der peerden was gevestigd, zwommen deze ruiters te gelijk door de gracht en verdwenen tusschen de boomen des wouds.

Het was den Franschen onmogelijk het geweld der beenhouwers te wederstaan, te meer daar deze laatsten in grooter getal dan hunne vijanden waren. Ook was er een uur later geene enkele sterveling meer in Male, dan alleen diegenen, welke op Vlaamschen bodem het leven ontvangen hadden. Men zocht meer dan twee uren lang met fakkels in al de kamers van het slot, doch men trof geene vijanden meer aan; want die het ontloopen waren, hadden zich door de hulppoort in het veld begeven.

Nadat Breidel door eenen bediende van het slot al de plaatsen nauwkeurig had doen aanwijzen, geloofde hij met reden, dat de jonkvrouw Machteld was weggevoerd. Hij gaf zich dan gansch aan zijne woede over en stak het heerlijk slot aan vier hoeken in brand. Terwijl de vlammen hemelhoog stegen en er reeds groote stukken muur met ijselijk gekraak ten gronde stortten, hakten de beenhouwers de boomen, bruggen en al wat maar kon vernield