is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruitdreef, en schikte zich met zijne mannen bij den boord der baan.

De vluchtelingen hepen niet verward door elkander; ieder huisgezin vormde een afzonderlijk gedeelte, en mengde zich niet met anderen. Eene weenende vrouw was in het midden van ieder hoopje; op haren schouder leunde een stokoude vader, aan hare borst hing een zuigeling, aan hare handen hepen schreiende en afgematte kinderen. Achter haar volgden oudere zonen, die onder den last van het huisraad en het beddegoed gebukt gingen. Zulke troepjes waren er oneindig veel; eenigen hadden kleine wagens vol gevluchte waren, anderen zaten te peerd; echter was het getal dergenen, die zich met lastdieren mochten behelpen, zeer gering.

Nieuwsgierig om de oorzaak van dien wonderlijken tocht te kennen, vroeg Breidel aan velen der voorbijvluchtende Heden, waarheen zij zich wilden begeven, en waarom zij dus hunne stad verheten; maar de klagende uitroepingen der vrouwen konden hem dit raadsel niet verklaren.

« O, Heer!» kreet de eene, « de Franschen willen ons levend verbranden! Wij ontvluchten eenen bitteren dood! »

« Och, meester Breidel, » riep eene andere met meer pijn, • ga toch om uws levens wil niet naar Brugge; want er staat eene galg voor u boven de Smedepoort! »

En wanneer de deken door eene tweede vraag zich deze zaak wilde doen ophelderen, klom eene krachtige stem als het gehuil eens wolfs boven het gevaarte, en galmde :

« Vooruit! vooruit! wij rampzaligen! De Fransche ruiters vervolgen ons! »

Dan wierp iedereen zich met wanhoop vooruit, en de hoofden der menigte vloden in de duisternis met ongeloofelijke snelheid voorbij. Op dit oogenblik vereenigden zich meer klagende stemmen en riepen :

« Wee! wee L zij branden onze vaderstad... Ziet, de vlammen verheffen zich boven onze daken. O, wee! o, wee! »