is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij de Coninc genaderd was, « gij vermaakt u met schoone oefeningen! Zult gij lijden, dat men onze stad verbrande? En zult gij als lafaards uwe vrouwen en kinderen in de vlucht volgen, arme bloodaards dat gij zijt! »

« Altijd driftig, altijd vervoerd ! » antwoordde de Coninc. « Wat spreekt gij nu van branden ? Wees verzekerd, dat de Franschen niets verbranden zullen. »

« Maar, meester Pieter, zijt gij blind ? Ziet gij de vlam niet, die boven onze muren stijgt ? »

« Welnu, dat is het stroo, dat wij aangestoken hebben, om onze troswagens zonder belemmering door de poort te brengen. De stad heeft geenen nood, vriend. Kom terug met mij tot Sinte-Kruis, ik heb u gewichtige geheimen mede te deelen. Nu is de tijd gekomen. Gij weet, dat ik de zaken met koelen bloede beoordeel en daarom veeltijds gelijk heb : voldoe mijne begeerte en schaar uwe beenhouwers in orde vooruit. Wilt gij ? »

« Ik moet wel, mits ik niet weet wat er gaande is. Houd uwe wevers dan wat staande. »

De Coninc beval den aanleideren, dat zij hunne mannen zouden doen ophouden. Dan verhief zich de stem van Jan Breidel, en riep :

« Macecliers ! schaart u in gelederen voor het hoofd des tochts! Ieder in zijne bende, maakt spoed ! »

Onderwijl liep hij tusschen de beenhouwers en schikte ze in hunne plaats. Wanneer dit gedaan was, kwam hij weder bij de Coninc en .sprak :

« Wij zijn veerdig, meester, gij kunt gebieden. »

« Neen, Breidel, » antwoordde de deken der wevers, «ik laat aan u het opperbevel des tochts. Gebied gij het vertrek ; gij gelijkt meer dan ik haar eenen legeroverste.»

De deken der beenhouwers verblijdde zich over deze hulde en schreeuwde met eene donderende stem :

« Macecliers en wevers! op matigen tred... vooruit!»

Op dit bevel bewogen zich de scharen, en het kleine leger ging langzaam voort in de baan. Na weinig tijds kwamen zij te Sinte-Kruis bij de vrouwen en kinderen, die zich aldaar met hunne goederen hadden neergeslagen.