is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ben de gelukkigste mensch op aarde. O, vaderland, hoe groot maakt gij de zielen dergenen, die u beminnen! Zie, meester Pieter, op dit oogenblik zou ik mijnen naam van Vlaming voor de kroon van Philippe le Bel niet verruilen ! »

« Gij weet nog alles niet, meester. De jonge Gwijde van Vlaanderen en Jan, graaf van Namen, hebben met ons samengespannen; mijnheer Jan Borluut zal de Gentenaren aanbrengen; in Oudenaarde hebben wij mijnheer Arnold; in Aalst Boudewijn van Papenrode. Mijnheer Jan van Renesse belooft ons al zijne vassalen uit Zeeland; en nog meer machtige leenheeren zullen ons bijstaan. Wat zegt gij nu van mijne lijdzaamheid? »

« O, ik bewonder u, vriend, en dank God innig, dat Hij u zooveel vernuft geschonken heeft. Nu is het met de Franschen gedaan; ik geef geene zes Grooten voor het leven van den laatste! »

« Het is heden om negen uren in den morgen, dat de Vlaamsche heeren moeten bijeenkomen, om den dag der wraak te bepalen. De jonge Gwijde blijft als veldheer onder ons; de anderen keeren onmiddellijk naar hunne leenen terug, om hunne mannen gereed te houden. Het zou raadzaam zijn, dat gij ook met mij derwaarts gingt, dan zoudt gij de genomen maatregelen bij gebrek aan kennis niet verijdelen. Wilt gij met mij naar Witbosch bij den Dale reizen? »

« Het zij volgens uw begeerte, meester; maar wat zullen onze gezellen over onze afwezigheid zeggen ? »

« Daarin is alreeds voorzien; ik heb hun mijn vertrek kenbaar gemaakt en het opperbevel aan deken Lindens overgegeven : hij zal zich met onze mannen naar Damme begeven en ons daar afwachten. Kom, wij vertrekken terstond; want het wordt klaar dag. »

Met aller haast werden er twee zadelpeerden bereid; en nadat Breidel de noodige bevelen aan zijne beenhouwers gegeven had, verheten de twee dekens het dorp Sinte-Kruis. Gedurende deze snelle reis was het hun niet mogelijk veel te spreken; echter antwoordde de Coninc