is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Gij bemint en beklaagt de dochter van den Leeuw,» sprak Breidel, de hand des ridders drukkende, « vergeef mij, mijnheer, ik heb u niet gekend. »

Op dit oogenblik kwam de Coninc aan den ingang der zaal. Hij hief de handen met verbaasdheid boven zijn hoofd, en, zich voor den ridder op de knieën werpende, riep hij uit:

« O, hemel, de Leeuw, onze heer! »

« De Leeuw, onze heer! » herhaalde Breidel, terwijl hij zich ook geknield nevens den deken der wevers plaatste. « God, wat heb ik gedaan! »

Zij bleven vol eerbied en diepgebogen voor den ridder zonder spreken zitten.

«Staat op, mijne trouwe onderdanen,» sprak Robrecht van Bethune hen toe. • Be weet, wat gij voor uwe vorsten hebt gedaan. »

Nadat zij zich hadden opgericht, ging hij voort:

« Aanschouwt de dochter van üwen graaf en overdenkt, hoe het hart eens vaders bij dit gezicht moet verpletterd worden. En niets om baar te helpen, geen voedsel, geen andere drank dan het kille water der beek!... Gij ziet het, de Heer beproeft mij door felle slagen. »

« Gelieft het u, doorluchtige graaf, mij te bevelen, dat ik u dit alles bezorge ? » vroeg Breidel. « Mag een gering onderdaan u daarin dienen ? »

Bij deze vraag liep hij reeds naar de deur : doch een gebiedend teeken van den graaf bracht hem terug.

• Ga, » sprak hij, « zoek eenen geneesheer; maar het zij geen Leliaart. Eisch van hem den eed, dat hij niets van hetgeen bij zien of hooren kan, zal kenbaar maken.»

« Heer graaf,» riep Breidel juichend, «ik weet juist een mijner goede vrienden, den warmsten Klauwaart van Vlaanderen. Hij woont te Wardamme; ik zal hem welhaast bier brengen. »

« Ik verzoek u, dat gij hem den Leeuw van Vlaanderen niet noemet en beveel u beiden een eeuwig geheim. Ga! »

Breidel verliet de zaal.