is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaand uur een uur lijdens is voor mijnen ouden vader en voor mijne onzalige bloedverwanten ; denkt wat pijn mijn doorluchtige broeder Robrecht moet uitstaan. Hij, die nooit eene hoonende gedachte kon verdragen, dien hebben wij twee jaren zonder hulp aan zijne vijanden overgelaten; wij hebben in eene laffe lijdzaamheid onze zweerden laten roesten en de schande op onze hoofden laten verzamelen. Indien onze gevangene broeders uit hunnen kerker tot ons roepen konden, en vroegen : wat hebt gij met uwe degens gedaan, en hoe hebt gij u van de plichten des ridders gekweten ? Wat zouden wij antwoorden ? Niets ! Het rood der schaamte zou onze wangen kleuren, en ons hoofd zou zich onder dit verwijt buigen. Neen, ik wil niet meer wachten; het zweerd is uitgetogen, en de scheede zal het niet meer ontvangen, dan met het bloed der vijanden geverfd! Ik hoop, dat mijn neef Willem mij in dit voornemen door zijnen bijstand zal versterken. »

« Hoe eer hoe liever, » riep Willem van Gulik, « wij hebben nu lang genoeg het lijden onzer ouders met droefheid aangezien. Het betaamt niet, dat een man zoolang zonder weerwraak getergd worde. Ik heb het harnas aangetogen, en nu blijft het aan mijn lichaam tot den dag der verlossing! Ik vecht met mijnen neef Gwijde en wil van geen uitstel hooren. »

« Maar, mijne heeren,» hernam Jan Borluut, « veroorlooft mij, u te doen aanmerken, dat wij om onze mannen bedektelijk te vergaderen, tijd noodig hebben, en dat deze hulp u zal ontbreken, indien gij zonder ons te velde trekt. Mijnheer van Renesse heeft mij reeds een dergelijk gevoelen uitgedrukt. »

« Ik kan waarlijk vóór de vijftien dagen mijne vazallen niet te wapen brengen, » sprak Jan van Renesse, « en ik zou den heeren Gwijde en Willem raden, zich volgens de ondervinding van den edelen Borluut te gedragen. Het is immers onmogelijk de Duitsche ruiters zoo spoedig hier te brengen ? Wat dunkt u, Meester de Coninc ? »

« Indien de woorden van eenen geringen onderdaan voor zijne landheeren mochten gelden, zou ik hen ook tot