is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerbiedigden zij de overweging van den man, die groot en edel voor ben was. In deze mijmering was hij bezig met het vormen van een algemeen legeringsontwerp. Opdat het noodige niet ontbrake, had hij zelf het gansche leger in drie lichamen verdeeld: de beenhouwers en de gezellen van verschillende ambachten, had hij te Damme onder het bevel van Breidel doen legeren; de hoofdman Linders had zich met tweeduizend wevers bij Sluis samengetrokken, en de Coninc zelf bleef met tweeduizend anderen te Aardenburg 88. Maar die noodzakelijke afstand tusschen de deelen des legers verdroot hem, hij hadde liever al de benden vóór de terugkomst van mijnheer Gwijde te zamengebracht. Hierom was hij te Damme gekomen en had reeds met Jan Breidel over de zaak gehandeld. Nu wachtte hij, dat het hem veroorloofd wierde de dochter van zijnen heer te zien en te groeten.

Terwffl hij het ontwerp wandelend nog overwoog, werd het behangsel der tente terzijde getrokken, en Machteld stapte langzaam over het tapijt, dat voor den ingang lag. Zij was bleek en kwijnend, hare machtelooze beenen ondersteunden haar met moeite, zij wankelde bij de weinige stappen, die zij deed, en rustte zwaar op den arm der jonge Adelheid van Renesse, die haar vergezelde. Hare kleeding was rijk, doch zonder zwier; zij had alle sieraad verworpen en droeg geen ander kleinood dan de gulden borstplaat met den zwarten Leeuw van Vlaanderen.

De Coninc had zich het hoofd voor zijne landvrouw ontdekt en stond in eene eerbiedige houding voor haar. Machteld glimlachte met eene zieltreffende uitdrukking; op hare wangen mengden zich bittere pijn en zacht genoegen, want zij was verheugd, dat zij den deken zag. Met zwakke stem sprak zij :

« Wees gegroet, meester de Coninc, onze vriend. Gij ziet het, ik ben niet wel; mijne kranke borst hijgt zoo lastig! Maar ik mag zoo niet altijd in mijne tente blijven, de droefheid bevangt mij in die nauwe woning. Ik wil de trouwe onderdanen mijns vaders zien werken, indien mijne voeten mij tot daar brengen kunnen. Gij zult mij