is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inzicht van de Coninc verspreidden zich op dezelfde wijze onder de burgers, alhoewel de meesten hem niet zagen. Eerst knielden en zwegen die, welke rondom hem stonden, dezen deelden de beweging aan de anderen mede, en zoo zonken al de hoofden beurtelings. De stemmen vergingen eerst in het midden van den wijden kring, en verminderden steeds, totdat de grootste stilte onder hen gekomen was. Achtduizend knieën raakten den nog bebloeden grond, en achtduizend hoofden verootmoedigden zich voor den God, die de menschen voor de vrijheid heeft geschapen. Welke harmonie moest op dit oogenblik vóór den troon des Heeren klinken! Hoe aangenaam moest hem dit plechtig gebed zijn, dat als eene suizende hulde onder zijne voeten kwam drijven !

De Coninc stond na eenen korten tijd van de aarde op, en, terwijl de stilte nOg bleef voortduren, sprak hij met luider stemme, opdat velen hem mochten hooren :

« Broeders, heden heeft de zon een schooner licht voor ons, de lucht is zuiver in onze stad; de adem der vreemden komt ze niet meer besmetten. De trotsche Walen hebben gedacht, dat wij hunne slaven zouden zijn en blijven; maar zij hebben nu ten koste huns levens geleerd, dat onze Leeuw wel slapen maar niet sterven kan. Wij hebben het erfdeel onzer vaderen herwonnen en de voetstappen der vreemden met bloed uitgeveegd; maar al onze vijanden zijn niet dood : Frankrijk zal ons nog meer gewapende huurlingen zenden; want bloed eischt bloed. Dit is niets, nu zijn wij onverwinbaar; echter zult gij niet op de behaalde zege mogen slapen. Houdt uwe harten groot, dapper, en laat het edel vuur, dat op het oogenblik in uwen boezem blaakt, niet verslappen. Ieder ga naar zijne woning en verblijde zich met zijn huisgezin over de gelukkige verlossing. Juicht en drinkt den wijn der vroolijkheid; want dit is de grootste dag, dien gij zult beleven. De burgers, die geen wijn hebben, kunnen naar de Halle gaan ; men zal er eene maat voor eiken man uitdeelen. »

Het geroep, dat weder allengskens aangroeide, belette de Coninc in zijne aanspraak voort te gaan; hij wenkte de