is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tocht zoodanig verminderd, dat hij der bezetting niet meer dan de helft van de gewone voeding kon geven. Hij hoopte, dat de waakzaamheid der Vlamingen eenigszins zou verslappen, en dat hij gelegenheid zou kunnen vinden om eenen bode naar Rijssel in het Fransche leger te zenden.

Arnold van Oudenaarde,die eenige dagen vroeger met driehonderd man tot bijstand der Kortrijkers was aangekomen, had zich onder de stadswallen op den Groeninger Kouter, omtrent de Abdij, met zijn volk neergeslagen. Deze ligging was hoogst voordeelig voor eene algemeene legerplaats, en werd in den krijgsraad, welke door Gwijde was bijeengeroepen, tot die bestemming verkozen. Reeds des anderen daags, terwijl het ambacht der timmerlieden aan de stormtuigen werkte, werden de andere Vlamingen buiten de stad geleid, om de begrachting der legerplaats te graven 108. De wevers en beenhouwers kregen elk een houweel of eene spade, en begaven zich met drift aan het werk. De verschansing werd als door tooverij verheven; het gansche leger wedijverde aan den arbeid; het was als een strijd. De spaden en houweelen klommen en daalden zoo snel, dat men ze met het gezicht niet volgen kon, en de aarde vloog in dikke brokken boven de verschansing als de ontellijke steenen, welke eene belegerde stad op den vijand werpt.

Naarmate er een deel der aardewerken voltooid was, kwamen anderen er de tenten tegen plaatsen. Van tijd tot tijd lieten de arbeiders hunne werktuigen in den grond steken en klommen met haast boven de verschansing, dan liep er een algemeene welkomstgroet boven het leger, en de schreeuw : « Vlaanderen den Leeuw! Vlaanderen den Leeuw! » deed zich nog in de verte als een antwoord hooren. Dit geschiedde iedermaal, dat er bijstand uit andere steden aankwam.

Het Vlaamsche volk had zijne edelen eenigszins ten onrechte van trouweloosheid en lafheid beschuldigd. Wel is waar, een groot getal hunner hadden zich openlijk voor Frankrijk verklaard ; maar het getal der trouwgeblevenen was grooter dan dat der bastaarden. Twee en vijftig der