is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weder opwekken, vatte hij de kruik, en, de hanapsen beurtelings vullende, sprak hij :

« Sa, mannen, waarom zwijgt gij P Daar, neemt en drinkt, dat de wijn u de spraak teruggeve. Het spijt mij, dat ik u dus bedreigd heb. Ken ik u niet P Weet ik niet, dat het Macecliersbloed u door de aderen stroomt P Welaan, dit gaat op uwe welvaart, makkers!»

De uitdrukking van genoegen kwam plotseling op het gelaat der beenhouwers terug, en hunne stilte eindigde met eenen langen lach, nu zij zagen, dat de bedreiging van hunnen deken enkel scherts was geweest.

« Drinkt maar, » hernam Breidel, zijnen beker vullende, « die kruik zij u gegeven; gij moogt ze tot den bodem ledigen. Uwen gezellen, die op schildwacht staan, zal eene andere bezorgd worden. Nu wij zien, dat er uit alle steden hulp toekomt, en dat wij zoo sterk worden, mogen wij dit geluk wel vieren. »

« Ik drink ter schande van de Gentenaars! » riep een gezel. « Reeds lang weten wij, dat wie in hen zijn vertrouwen stelt, op eenen gebroken stok steunt; maar dat is niets, zij mogen te huis blijven, dan heeft onze stad Brugge alleen de eer van den strijd en van de verlossing. »

« Zijn de Gentenaren Vlamingen als wij ? » sprak een ander. « Klopt hun hart wel voor de vrijheid? En wonen er ook wel Macecliers in Gent! Heil Brugge! daar is de echte stam. »

« Ho! » riep Breidel, « er woont in Gent een man, die een leeuwenhart heeft. Kent men Jan Borluut niet door de gansche wereld P Ik ben zeker, dat, indien hij de zaak wil onderzoeken, hij bevinden zou, dat zijne vaders Macecliers waren, of zoo iets dergelijks; want mijnheer Jan gelijkt aan eenen Gentenaar als een stier aan een schaap. »

De beenhouwers vielen opnieuw in eenen schaterenden lach uit.

« En ik weet niet, » ging Breidel voort, « waarom mijnheer Gwijde om hunne komst wenscht; er is niet te veel leeftocht in het leger, om nog meer eters tot den