is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Mijnheer d'Artois, » antwoordde Rudolf, « omdat mijne dochter in Vlaanderen woont, belet mij dit niet zoo goed Franschman als iemand te zijn; mijn degen heeft dit genoeg bewezen, en ik heb redenen om te gelooven, dat deze ridders uwen schertsenden woorden geen gehoor geven zullen. Maar iets, dat mij meer aan het harte ligt, is de eer des ridderschaps, en ik verzeker u, dat gij deze in groot gevaar brengt. »

« Wat is dit ? » riep de veldheer, « zou men niet zeggen, dat gij die muitelingen wilt verschoonenl Hebben zij den dood niet verdiend, mits zij zevenduizend Franschen zonder genade hebben vermoord P »

« Zonder twijfel, zij hebben zich des doods schuldig gemaakt, en ook zal ik de kroon van mijnen vorst zooveel mogelijk wreken; maar dit slechts op degenen, die met het wapen in de hand zullen bevonden worden. Ik vraag aan al deze ridders of het wel betaamt, dat wij onze degens tot een beulswerk gebruiken en weerlooze Laten vermoorden, terwijl zij op het veld aan het ploegen zijnP »

« Hij heeft gelijk! » riep Hugo van Arckel met gramschap, « wij strijden tegen geene Mooren, mijne heeren, en het is een schandelijk werk, dat ons wordt voorgesteld. Denkt, dat wij met Christenen te doen hebben. Er stroomt ook nog Dietsch 128 bloed in mijne aderen, en ik zal niet lijden, dat men mijne broederen als honden behandele; zij voeren den krijg in het open veld en moeten dus volgens de wetten des oorlogs bestreden worden. »

« Is het wel mogelijk, » hernam d'Artois, « dat gijheden die slechte boeren voorstaat? Reeds heeft onze te goede vorst alle andere middelen om hen te temmen beproefd : maar het was al om niet. Wij zouden dus onze mannen moeten laten vermoorden, onzen koning laten hoonen en lasteren, en nog het leven dier oproerige laten moeten sparen! Neen, dit zal niet geschieden; ik weet, welke bevelen mij gegeven zijn, en zal deze volbrengen en doen volbrengen. »

« Mijnheer d'Artois, » viel Rudolf de Nesle met heviger drift in, « ik weet niet, welke bevelen gij ont-

22