is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijnheer van Lens het kasteel van Kortrijk niet tegen eenen hoop voetgangers verdedigen? »

« Het zij mij geoorloofd u te zeggen, dat gij u bedriegt, edele heer, » antwoordde de bode. « De Vlamingen hebben een heir, dat men niet mag misachten; het is, alsof zij bijeengetooverd waren, zij zijn meer dan dertigduizend sterk, en hebben peerden en oorlogstuig in overvloed; zij bouwen ontzaglijke stormtuigen om het kasteel te bespringen. Onze levensmiddelen en onze pijlen zijn uitgeput, en wij hebben reeds eenige onzer slechtste peerden beginnen te eten. Zoo Uwe Hoogheid nog eenen dag langer wacht, om mijnheer van Lens te gaan ontzetten, zullen al de Franschen in Kortrijk reeds doodgeslagen zijn; want er is geene uitvlucht om het te ontkomen. De heeren van Lens, de Mortenay en de Rayecourt bidden u ootmoediglijk, dat het u believe hen uit dit gevaar te redden 198.

« Mijne heeren, » riep Robert d'Artois, « dit is eene schoone gelegenheid; wij konden niet beter wenschen. Al de Vlamingen zijn bij Kortrijk te zaam geloopen. Wij gaan er op aanvallen, en er zullen er niet veel ontvlieden ; de voeten onzer peerden zullen over dit slechte volk recht doen. Gij, bode, blijft in het leger: morgen zult gij met ons te Kortrijk zijn. Nu nog ééne teug voor de laatste, mijne heeren! Gaat en bereidt uwe scharen tot den tocht; wij zullen spoedig vertrekken. »

Na eenige oogenblikken verlieten zij allen de^ tente, om het bevel van hunnen overste te volbrengen. Uit al de hoeken der legerplaats klonken de bazuinen, om de soldeniers uit het veld te roepen; de peerden brieschten, de wapens stieten krijschend tegen elkander, en er rees een akelig gerucht boven de verschillende deelen der legering. Eenige uren later waren al de tenten opgevouwen en op troswagens gepakt, alles was vaardig. Er ontbraken nog wel vele soldeniers, die zich met plunderen hier en daar ophielden; maar dit kon aan zulk machtig leger niet gemerkt worden. Ieder aanleider zich aan het hoofd zijner scharen gesteld hebbende, vereenigden zich de ridderen