is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

konden zij eene ratelende doodsklacht vormen. De lucht was met zwarte raven als met eene onweersbui behangen; het krassend geschreeuw dier vreetzuchtige roofvogels galmde als de roep des doods boven het slagveld, en vervulde de harten der levenden met eene sombere verslagenheid. Weldra vielen de juichende vogels op de lijken neder, en scheurden met hunne klauwen de nog bevende spieren er af. De gewonden worstelden met angst tegen die afschuwelijke vijanden en sidderden van schrik, wanneer zij dachten dat ieder dezer dieren een deel van hun vleesch eten zou; voor hen geen ander graf dan het lijf der raven, voor hen geene rustplaats na den dood, geene gewijde aarde om tot den jongsten dag te slapen !...

Wat schrikkelijk vooruitzicht! welke hartplettende gedachte!

Ontellijke verhongerde honden waren op den reuk van het bloed uit de stad gekomen; zij liepen van het eene lijk naar het andere en huilden met lange tonen zoo vervaarlijk tegen elkander op, dat men zou gedacht hebben, dat de hel hare duivelen uitgezonden had, om de komst van zoovele zielen te bezingen. Nochtans scheurden deze dieren niet aan de lichamen; integendeel schenen zij dit # misbaar uit droefheid over de gesneuvelden aan te heffen. Alhoewel zij soms hier en daar het bloed der menschen met bloed der peerden opslurpten, vochten zij echter met nijdigheid tegen de raven en behoedden alzoo menig lichaam voor hunne schendende klauwen. Bij al die schrikbarende geruchten voegde zich het doffe brieschen of liever het gehuil der stervende peerden en de juichende zegeroepingen der in de stad zijnde mannen. Afschuwelijk, afschuwelijk was het gezicht van zoovele gesneuvelde dapperen, die nu met de blauwe doodverf op het aangezicht, tusschen hunne verstrooide leden voor eeuwig sliepen 16a.

Naarmate de Gentenaren zich over het slagveld verspreidden, vlogen de raven voor hen op en gingen verder op eene andere prooi azen. Men zocht onder al de neerliggenden diegenen, wier boezem nog klopte, en men