is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na die woorden ging hij tot Adolf en kuste hem op de wang.

« Vaarwel, mijn zoon, » zeide hij.

En zijne Machteld tegen de borst drukkende :

« Vaarwel, mijne beminde Machteld. Ween nu niet meer over mij; ik ben gelukkig, nu het vaderland gewroken is. Ik zal welhaast terug zijn. »

Dan omhelsde hij nog zijnen broeder Gwijde, Willem van Gulik en eenige andere ridders, zijne vrienden; hij drukte met ontroering de hand van allen en riep, heengaande :

« Vaartwel, vaartwel, gij allen, edele zonen van Vlaanderen, mijne trouwe wapenbroeders ! »

Op dit voorhof klom hij te peerd en deed zijne uitrusting aan ; hij het het voorstuk van zijnen helm vallen en reed ter poort uit. Eene ontelbare schaar volks had zich voor deze vergaderd; zoodra zij den gulden ridder zagen, scheiden zij zich in tweeën om hem door te laten, en begonnen met allerlei juichkreten hem te begroeten.

« Heil den gulden ridder! Zege! zege onze verlosser!» werd honderd malen met nieuwe galmen herhaald. Zij zwaaiden hunne handen ten teeken van blijdschap in de lucht, en raapten de aarde als een heiligdom uit de voetstappen van zijn peerd. In hunne bijgeloovigheid dachten zij, dat St.-Joris, dien men gedurende het gevecht in al de kerken van Kortrijk had aangeroepen, onder deze gedaante hun was ter hulp gekomen. De langzame stap des ridders en zijne stilzwijgendheid staafden die gissing, en velen vielen, terwijl hij voorbijreed geknield ter aarde. Zij volgden hem eene wijl juichend in de velden na, en schenen hun gezicht niet genoeg te kunnen verzadigen; want de gulden ridder werd hoe langer hoe wonderbaarder voor hen. Hunne verbeelding herschiep hem in zulk eene gedaante, als zij de Heiligen droomden. Een teeken van Robrecht was hun genoeg geweest om zich door die opgetogene menschen te doen aanroepen.

Eindelijk gaf hij zijn peerd de spoor, en verdween als een schicht tusschen de boomen des wouds. Het volk