is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130. Dus begonden die vianden naken Men sal bier mogen doden maken Vrouwen, weduwen, kinder, wesen. Die Vlamingen stonden in vresen Jegens die vreselike ontmoet; Sine mogen achterwerd niet ontgaen Ende vore eest vlien gedaen D'een gingen in den anderen dringen.

(Spiegel Historiael).

132. Een priester toonde alsdan het Heilig Sacrament aan het gansche leger en gaf de algemeene zegening. Al de mannen, in dit plechtig oogenblik nederbuigende, namen van den vaderlandschen grond een weinig aarde, hetwelk zij op hunne lippen brachten. (Voisin).

133. Hy seyde : lieve broeders ende vrienden 1 peynst om uwe wijfs en om uwe kinderen en sijt vrome lieden en maect goeden moet en vecht, so dat ghi u lant met eere houden meucht; die cracht van victorien comt van Gode alleenlic denghenen die recht hebben; elk sal speere yeghen speere voughen, ende pijnt altijd omme die peerden te quetsene daer ghi meucht; want die peerden faelgierende dye lieden sijn te wille ende moeten vallen ter eerden; ende als si van den peerden ghevallen sijn dat men se allen doodsla, en niemant en vanghe noch en ransoenere ende dat niemand en roove noch pilgiere noch vliede. Want so wie rooft oft vliet men sallen selve dood slaen, dus hebt alle gader goeden moet. (Dits die excellente Cronike).

134. Alle de Vlaemsche soldaten wierden in eene slagorde gestelt, maar seer digte ; hetwelk de Franschen verstaen hebbende, hebben hun volk, hetwelk in negen benden verdeeld was, alleenelyk in dry slagreken gestelt. (Ckronycke van Vlaenderen).

135. De eerste ridders, die, in de vlakte komende, over de beek wilden rijden, zonken tot aan den zadel in het slijk en werdon door de pijlen der Vlaamsche schutters doorboord. (Voisin).

136. Meer andere oversten, die insgelijks de moeilijkheid van den aanval gezien hadden, maakten ook den graaf hunne aanmerkingen; die vorst wilde naar niets luisteren. (Voisin).

137. In tusschentijd gingen de schutters vooruit en vonden het middel om de eerste beek in eene andere plaats over te gaan, waar de heer Jean de Barlas, die het bevel over hen voerde, hen in eene dichte slagorde schikte. (Voisin).

138. Men ginc gene pesen treeken in. Het was dat vreselijcste begin Dat noyt man met oogen sach. Die pilen vlogen op geen dach, Dat men den hemel cume van dien Van dickeden niet conde gesien.

(Die excellente Cronike).

139. Ende dit geschiede op den XI dach van hoymaent (July 1302) ende was Sinte Bendictus dach, omtrent den VII heuren voor die noene. (Die excellent» Cronike).

140. Zij stuwden altijd vooruit, de paarden drongen en stapelden zich verward opeen; de ruiters vielen neder, en werden door die, welke hen opvolgden, wreedelijk verpletterd. Zoo stierven er een groot getal, zelfs vooraleer zij den vijand konden aanvallen. (Voisin).

141. Deen liep daer over den andren waden Te voet, met haren vergouden sporen, Die onder liegen moesten versmoren In diepe grachten her ende gens.

Dus goudense swerlike den chens Dien si wilden sonder waen

Binnen Vlaenderen doen gaen. (Van Velthem).