is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moesten ze nu heen, tot wie moesten ze zich wenden, voor die kwestie van den in te bouwen steen. Zij vroegen het aan een metserknaap, die met een leegen moortelbak van een hooge ladder kwam; en hij wees het hun: ginder, bij den koster, in dat gerotseerd huisje, vlak tegenover de oude kerk.

Een der metselaars op de hooge stellage had zich voorovergebogen en keek in de diepte naar de bedevaarders, zijn platte truweel °als een strijkijzer in de hand. Hij lachte even en riep hun iets toe, dat zij niet verstonden.

—- Wa zegt hij ? vroeg Sies aan den metsersknaap, die ook even geglimlacht had.

— Dat hij ulder elk ne scheune steen zal inmetsen os ge wilt trekteeren mee nen dreupel, antwoordde de knaap.

Sies ging daar niet verder op in maar Mietje kreeg een kleur van ergernis. Zij vond het profaan dat iemand die aan zoo iets heiligs als een kerk mocht werken er zulke ongepaste aardigheden op nageld. « Kom, » zei ze tot Sies; en zij spoedden zich naar het huis van den koster.

Drie personen .• een man en twee vrouwen, vermoedelijk ook bedevaarders, verlieten juist de kosterij toen zij er voor de deur kwamen.

t.s t hier, om stienen t offeren? vroeg Sies.

- Joa t, zei de man; moar hoast ulder: de koster moe mee den trein van ten twoalven wig.

Sies en Mietje haastten zich naar binnen.

De koster kwam juist in 't gangetje en zijn gezicht betrok als met een onweerswolk toen hij Sies en Mietje zag.

, Verdeeke! Wa es da van doage mee al die stienen! bromde hij. k Moe wig mee den trein en 'k 'n hè nog nie geëten. Wa moet-e gulder hen?

4 Es veur ne stien in de nieuwe kirke, meniere, zei Mietje schuchter.

De koster opende misnoegd een zijdeur, trok binnen in een kamertje, door een gebaar de bedevaarders achter zich meewenkend.

De Jioame! vroeg hij kortaf, plaats nemend aan een tafeltje,, waarop een lijvig register open lag.

Iefer Aline Duchatel, antwoordde Sies.

De koster schreef, wenkbrauw-fronsend.