is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit. Zij moesten nu maar een uurtje noenstonden; de grootste middaghitte laten voorbijgaan, zei hij. Zij volgde zijn voorbeeld, plooide zorgvuldig haar mooie bovenrok op, strekte zich insgelijks achterover op den grasberm uit. Hun moede oogen zagen de blinkende blaadjes van de populieren tintelend spelen tegen het eindeloosdiepe hemelsblauw. .Zij dachten aan Alineke. O, als Alineke nu maar mocht genezen!... Maar wat, als Alineke ondanks alles toch moest sterven! Zij werden weer weemoedig, hadden droeve en toch zoo heilig-schoone vizioenen van engeltjes in den diepblauwen hemel. « Loat ons nog nen Onze Voader lezen,» zei Mietje; en zij sloot haar oogen en vouwde de handen. Hij deed als zij. Een poosje lagen zij daar beiden, met stil-prevelende lippen. De leeuwerikjes zongen in de wijde ruimte, een karekiet neuriede zijn eigen liedje in het oeverriet en van ergens kwamen zoete geuren aangewaaid. Toen bleven hun oogen dicht en zij dommelden in slaap.

De zon begon reeds naar het westen toe te nijgen toen zij wakker werden. Zij wipten overeind en schrikten hevig, dat zij daar zoo lang gelegen hadden. Sies trok zenuwachtig zijn horloge. Drie uur! « We moeten goan! » riep hij hijgend en raapte met spoed hun boeltje bij elkaar. Sies ging even achter een boom staan en Mietje verdween bij een hooiberg. En toen stapten zij met vlugge schreden op, den blik recht vóór zich uit, zonder nog naar iets te kijken.

Zij kwamen weer, in omgekeerde richting, door de streken en de dorpen waar zij in den vroegen ochtend doorgetrokken waren; en toen het begon te avonden, toen groote, dwarse goudvegen van schoonheid en weelde zich over de rijpende akkers uitstrekten, zagen hun doodmoede oogen eindelijk van verre de roode daken van hun hoeve schitteren en de hooge boomen omheen het « Kasteelken » opdonkeren.

Hun hart klopte gejaagd; hun flauwe beenen beefden. Hoe zou het zijn? Dood of leven? Wachtte een blijde verrassing; of lag de grijnzende smart op hen te loeren?

Toen zij hun hekje openden en den boomgaard opstapten, zagen zij een hunner meiden met emmers uit den koestal komen.

— Hoe es 't? riep Sies van verre, met hikkende stem.

De meid hield even stil met haar vracht in de handen en gaf niet dadelijk antwoord. Het leek wel of ze niet begrepen had wat haar gevraagd werd.