is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terhaalde hem buiten de huizen, men hield hem staande om hem te vragen op welke manier toch hij ten huize van den secretaris zoo mishandeld werd. Hij, stom-verbaasd, begreep maar niet wat men bedoelde, antwoorde met een holle stem, dat meneer Ongena en zijn zuster, verre van hem slecht te behandelen, integendeel uitnemend goed voor hem waren, en zette gansch ontsteld zijn weg voort, lang en ontvleesd, zijne wijd-starende oogen strak vóór zich op de akelige tafereelen zijner verbeelding gevestigd. Doch verre van de dorpelingen in hun kwaden argwaan te doen wankelen, hadden de schuchtere antwoorden van den jongeling voor gevolg, ze aanzienlijk erin te versterken. Men begreep wel, dat men hem bedreigd had met het verlies zijner betrekking, indien hij over de slechte behandeling, welke hij moest uitstaan, durfde klagen. En de publieke verontwaardiging groeide er door aan. Eens, dat de ontvanger hem halverwege tusschen Wilde en Meerhem te gemoet kwam, had hij Remi staande gehouden en hem in 't gezicht gevraagd:

« Zeg ne keer, Remi, krijgt-e gij misschien geen eten, bij de secretoaris?»

En, daar de jongen, ten hevigste ontsteld, met verwilderden blik en schielijk blakende wangen, na een oogenblik aarzelens antwoordde: « Toetoet, toetoet, meneer den ontvanger, 'krijge stijf veel eten, stijf veel eten », had de ontvanger, bij het gezicht van Remi's ontroering overtuigd, dat de jongeling de waarheid niet durfde zeggen, een verontwaardigde uitroeping geslaakt, en 's avonds, in het Gouden Zulleke, voordat meneer Ongena er was, aan zijn gewone makke/s, den dokter en den gepensioneerden onderwijzer, zijn ontmoeting verteld, en verklaard, dat hij nu de stelligste bewijzen had, dat de secretaris zijnen klerk mishandelde door hem uit te hongeren.

Dienzelfden avond, in het Gouden Zulleke, meende meneer Ongena bij zijn vrienden eene zekere koelheid te zijnen opzichte waar te nemen. Tot driemaal toe veinsden zij niet te hooren dat hij hun voorstelde het gewone kaartspel aan te vangen. En toen zij er eindelijk toe besloten, was het met een niet verholen tegenzin, en duurde het spel slechts een klein uurtje, onder een beklemmend stilzwijgen. Allen verlieten, de herberg vóór hem, en 's anderendaags wist eindelijk het gansche dorp, wat voor een soort mishandeling de secretaris en zijn zuster den ongelukkigen bediende deden uitstaan.