is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruit, volgde hen trager op, met korte schreedjes, begeleid van Remi, die zijn wijderen pas met de trippeling van zijn meester op maat poogde te stellen.

Een uitdrukking van eindelooze treurigheid versomberde meneer Ongena's goedig aangezicht. Hij sprak niet, maar nu en dan steeg er een diepe zucht uit zijn beklemde borst. Remi, van zijn kant, stapte stilzwijgend door, het uitgemergelde gezicht blauwend onder den scherpen wind, de wijde oogen star vóór zich uit gevestigd op de akelige spoken zijner verbeelding.

Aan den ingang van het dorp zagen zij de boerenkudde even stilhouden en praten met een groep dorpelingen, die daar stonden. De lieden reikhalsden nieuwsgierig, de boeren schenen hun iets zeer interessants te vertellen. Na enkele oogenblikken zetten zij echter hun weg voort, maar toen meneer Ongena en Remi op hun beurt voorbij de groep passeerden, weerklonk gelach en dof gemurmel, terwijl vrijpostige blikken den secretaris in het gezicht aankeken. En toen zij gansch voorbij waren, weergalmde scherp een schaterlach en riep een stem, bijna uitdagend:

— Zoed hij nou toch ne keer genoeg gekregen hen?

Remi's oogen zetten zich wijd verschrikt uit en de secretaris bleef even stilstaan en keerde half het hoofd om, een diepe verbazing op 't gelaat. Hij opende den mond, als om een uitlegging te vragen, maar sloot dien dadelijk weer dicht, en stapte door, met zijn gewone uitdrukking van onderworpene neerslachtigheid op het gelaat.

-Zij waren om den hoek van een huis rechts ingekeerd, zij kwamen in het dorp terug. Vóór hen ging steeds de boerenschaar, de nekken rood, de beenen krom, de armen hangend, van tijd tot tijd nog even stilhoudend om aan de nieuwsgierig op hun drempels verschijnende dorpelingen iets te zeggen. Enkelen schudden soms, als het ware nijdig spottend, het hoofd, anderen keerden zich nu en dan om, staarden in de richting van den secretaris en Remi. En naarmate deze laatsten verder in het dorp kwamen, scheen de vrijpostige nieuwsgierigheid der dorpelingen toe te nemen, terwijl, achter hun rug, gemurmel en gescherts luider klonken, en eene steeds duidelijker uitdrukking van schimp en minachting op de aangezichten kwam.

« 'k Geleuve da z'ons uitlachen», zei de secretaris, die bleek geworden was.