is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-was het, die met de boeren op den akker praatte of in de boerenhuizen binnen ging, terwijl de anderen op den weg of bij den drempel bleven

wachten. tv ••

De boeren of boerinnen stonden daar lomp en bot, bij zijn tijn silhouet vergeleken. Daarenboven had Guustje over hen de bewuste superioriteit van den frisschen nietsdoener over den vermoeiden zwoeger. .Zijn geslepen geest was oneindig veel wakkerder dan de verstompte hersens van de ruwe boeren, en hij wist van hen te krijgen wat geen ander kreeg en wat zij zelfs niet wilden geven. De boeren haatten en verafschuwden hem, maar kwamen onweerstaanbaar onder de suggestie van zijn superieur-kalme, fijne stille macht. Nooit, trouwens, ging hij met geweld of ruwheid om. Hij had een diepen afkeer van dreigen, schelden, vechten, stelen, 't Moest hem gegeven worden, en netjes gegeven, wel met tegenzin als t niet anders kon, —— en t kon zoo zelden anders — maar nooit zooals een hond een brok wordt toegegooid. Werd hij bij toeval ergens ruw teruggewezen, dan ging hij ook onmiddellijk, en vond er terstond een grap op, die zijn metgezellen vroolijk lachen en den ruwen weigeraar zijn grove ondergeschiktheid voelen deed.

Wat hij kreeg nam hij trouwens slechts aan om het terstond den anderen te overhandigen. .Zoo had hij eigenlijk nooit het air voor zichzelf te bedelen. Die anderen,... zij droegen de vrachten voor hem, kwamen overladen van hun tochten thuis; hijgend en zweetend onder balen aardappels, afval van graan, hompen roggebrood. Alleen het geld, als zij er kregen, nam Guustje in bewaring, omdat de anderen *t zouden verliezen. E.n verder droeg hij slechts zijn platgevouwen zak over den linkerarm, als een heer die zijn overjas draagt. Hij was de « ober » van de inrichting, de prins van de bedelaarsbende. , , tl

Hij hield ongelooflijk veel van jenever en van t mooi geslacht. Ik

zou niet durven beweren waar hij t meest van hield. Ik denk, in de kracht van zijn leeftijd, evenveel van allebei; en later, met de jaren, meer van jenever dan van vrouwen.

't Was op zichzelf een genot hem een borrel te zien drinken. Hij nam het glaasje netjes tusschen duim en wijsvinger onder aan den voet «n hield het bij de flesch, waaruit men schenken zou.

— Mijne vriend, of « mamatsje », zoo sprak hij tot den persoon