is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die inschonk, « g'n moet nie kijken of er van onder wat in komt: zorg gij moar dat hij van boven scheune vul es, doarmee hè 'k ik genoeg. »

Dan bracht hij met glinsterende oogen 't boordevolle glaasje heel voorzichtig aan zijn fijne lippen, die er zich trechtervormig naar uitrekten, als om te zoenen. Nauwelijks raakten zij het randje aan, en zoo floot hij als 't ware, in één langen, zachten haal, het heerlijk vocht naar binnen.

— Smoakt het, Guustje? vroegen de anderen, lachend om hem heen geschaard.

— Lijk suikerei antwoordde Guustje, smakkend van verrukking.

Wanneer hij er zoo enkele binnen had, werd hij gaandeweg hoogst

grappig opgewekt en wel eens zeer luidruchtig opgewonden. Dan deed hij voor de aardigheid de boeren na, waar zij gingen bedelen en waarvan zij leefden.

— Kent-e gulder Stijn Verlizze? riep hij, terwijl de anderen reeds bij voorbaat schaterlachten. En gedrochtelijk-hinkend liep Guustje in t rond, terwijl hij Stijn Verlizze's holle, grove stem nabootste:

— Allo, jongens, steek ne kier 'n handje toe, 'k zal ulder tons ne kluts irdappels en 'n roggenenbreud geven!

Hij zat vol van zulke grappen. Hij deed het oude Vloakske na: « Jongens, dat t moest regenen, — moar 't 'n zal nie regenen — en da 'k nie thuis 'n woare, — moar 'k zal thuis zijn — steekt den heuiwoagen binnen. » Ofwel hij stotterde als Miel Vaprijs: « Ti ti ti ti ti ti tien eens os er ienen van ulder veur mij 'n commissie wil doen.» En zelf moest hij onbedaarlijk om zijn eigen kluchten lachen; hij verslikte en hij stikte-ervan; en hij kreeg dan gewoonlijk een niesbui: hij niesde twintig, dertig keer na elkaar, eerst uit de grap, weldra uit eigen opgewondenheid, tot hij het werkelijk benauwd kreeg en spoedig moest gaan zitten uitblazen. Daarmede was de dolheid eensklaps over; hij werd ineens heel stil, ging ergens steun zoeken tegen een boom of muur, en bleef daar « deuzig » (1) zitten, zooals de anderen het noemden, onophoudelijk hoofdschuddend in zichzelf herhalend: — Ha, dat zijn nou toch dijngen ne woar; da zijn nou toch dijngen!

Welke « dijngen » Guustje eigenlijk bedoelde werd niet duidelijker

(1) Duizelig.