is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgedrukt, en erg bezwaar scheen er dan ook niet aan verbonden, want af en toe kreeg hij zoo in zijn eentje weer een stille lachbui, tot hij ten slotte door de anderen werd opgetild en onder zachte overreding naar zijn huis gebracht, waar zijn vrouwtje meestal klaar stond, om hem zonder veel gemopper naar zijn bed te brengen.

Guustje's vrouwtje... Hij was tweemaal getrouwd geweest en van zijn eerste vrouw had hij zeven kinderen en van zijn tweede drie.

Toen de eerste stierf was Guustje zeer bedroefd over zijn eigen lot. De zeven kinderen waren geen last; die gingen mee bedelen zoodra zij alleen konden loopen; maar Guustje was met de dood van zijn vrouw zijn huispret en zijn oppas kwijt en daar leed hij erg onder. Hij was toen al diep in de zestig en niemand dacht eraan dat hy zou zoeken te hertrouwen, maar 't duurde niet lang: zijn vrouw lag nog geen drie weken begraven, of Guustje liep ontredderd rond en vroeg van huis tot huis aan elke vrouw die huwbaar scheen, of ze t met hem wilde wagen. Hij wou vooral niet nutteloos zijn tijd verliezen; nauwelijks was hij ergens gezeten, of hij kwam ernstig met zijn aanzoek voor den dag, zeggende dat de menschen hem wel kenden, dat iedereen wist welke voortreffelijke partij hij was; en hij haalde t voorbeeld van zijn eerste vrouw aan, die met hem zulk een heerlijk leven had gesleten. Na heel wat weigeringen, vond hij er eindelijk eene die toestemde. Het was een weduwe met één oog en vier kinderen, maar dat kwam er niet op aan bij de zeven andere van Guustje, evenmin als het nieuwe drietal, dat, in vier jaar tijdsverloop, de familie-gemeenschap tot het getal van veertien afstammelingen deed stijgen. Dat leefde en krioelde allemaal als een nest hondenjongen door elkaar, en Guustje was trotsch en gelukkig als een pauw; hij leek verjongd, hij liep rechter en flinker dan ooit met zijn plat over den arm toegevouwen zak aan het hoofd der bende langs de wegen; hij was een figuur en een kracht gewerden in de streek, hij had iets te beteekenen in het dorp, geruggesteund door veertien onversaagde telgen, die zich eiken ochtend in alle richtingen verspreidden om het noodige bij te halen.

Die kracht kwam 't duidelijkst aan 't licht, wanneer ook anderen hèm eens noodig hadden, zooals bij voorbeeld in verkiezingstijden. Guustje was kiezer, vier of vijf van zijn zoons waren reeds kiezers en de dravers kwamen naar hem toegeloopen: