is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Wat duurt het lang!» zei een der jongelui, zonder nader toe te lichten wat er zoolang duurde. Meer vogals kweelden; en nu gingen zij twijfelen of het wel nachtegalen waren, omdat er zooveel zongen* En de natte kilheid werd doordringender en zij klappertandden. « Wat is het koud!» bibberden zij.

Het meer en zijn omgeving kregen iets irreëels, als in een snelle afwisseling van tooverbeelden. Elk oogenblik, waar zij ook keken, zagen zij verandering. Hemel en water kregen opalen tinten, de nevelsluiers zweefden, rafelden open, lieten de groene kruinen van de boomen zien. «Wat gaat het gauw!» riep nu dfe jonge man, die nog maar pas gezegd had dat t' zoo langzaam ging. Eensklaps schoot een roodgouden pijl als een vuurstraal door de lage, grijze wolken. Hij straalde een seconde en verdween; en de aardige jonge meisjes en de nette jongelui wisten, dat zij, voor het eerst in hun leven, de zon hadden zien opgaan!

Toen keken zij opnieuw elkander aan en lachten nog eens. Zij zagen allen vaal van slaap en koude bibbering en een der aardige meisjes strekte haar bevende hand naar de theemand uit.

— Dit zal ook geen kwaad doen, meende zij.

De thee was warm gehouden in een soort hooikist en zij dronken «n aten met graagte. « Ghoe... wat was het koud!» rilde nog even een der aardige meisjes, toen ze 't weer goed warm had.

Het was volop dag geworden, een grijze dag van vroege, nuchtere realiteit; en zij keerden terug over denzelfden weg waar zij gekomen waren, en vonden er nog steeds de boerderijen en de huizen dicht en slapend, als iets abnormaals van eenzame verlatenheid in het ontwaken der natuur. Zij waren moe en spraken weinig en vóór het huis van het meisje vanwaar ze vertrokken waren, namen zij afscheed van elkander, nog eens herhahnd hoe heerlijk het tochtje was geweest.

De aardige meisjes zouden nu flink van haar vermoeienis gaan uitslapen; maar de nette jongelui, die om negen op hun kantoren moesten zijn, vroegen zich twijfelend af of het nog wel de moeite waard was om naar bed te gaan.

Zij slenterden met sleepende voeten door de stille straten, in de vage hoop dat ze m sschien ergens reeds een kroegje zouden open vinden.

I oen zij op de Groote Markt kwamen, begon het zacht te motregenen