is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zaten samen in den circus, mijn vriend en ik.

Wij zaten in den circus en wij amuseerden ons, voor een poos al onze miseres vergetend, zooals groote menschen zich vermaken kunnen, wanneer zij zich als kleine kinderen aan de ongecompliceerde genoegens van een eenvoudig pretje willen overleveren. De soepele kunstrijders te paard verwekten onze geestdriftige bewondering; ons hart klopte van emotie bij het duizelingwekkend werk der trapezisten onder de binten; wij genoten uitbundig van de dolle grappen der clowns; en met de mooie écuyères reden wij als 't ware in verbeelding mede: zacht-wiegend en kniebuigend in de kadans der muziek op t breede tafelzadel, klappend met de zweep, en onder 't slaken van een gilletje door roze vloeipapieren-hoepels springend en dan met opkuivend pailletten-rokje en roze tricot-beenen op het breede zadel rustend neervallend, terwijl het publiek luid handenklapt en juicht, en August de Domme met rooden neus en enormen halskraag, in overdreven hofmakerij met een bouquet van een dubbeltje komt aanstruikelen en trouwens plat op zijn buik, onder bulderend gelach der menigte in het zand der arena neerploft, alvorens hij het voorwerp zijner dolzinnige aanbidding kan bereiken. Wij amuseerden ons.

* * *

Eensklaps, zonder eenige schijnbare aanleiding daartoe, zag ik 't gezicht van mijn vriend als 't ware verstarren. Hij keek naar iets, in de eerste rij stalles, daar schuin beneden ons; en dat iets scheen hem zoo bovenmatig te boeien, dat hij er even het gansche leuke paardenspel door vergat. Zijn strakke oogen zetten zich uit, zijn lippen gingen van elkaar, alsof hij zou gaan gillen.

" Wat is er toch dat je zoo boeit, amice? vroeg ik, zeer verwonderd.

— Wat er is? herhaalde hij zenuwachtig mijn woorden. Wat er